
Soms moet je even weg van je toetsenbord om precies datgene te vinden waar je boek over gaat.
Ik was eigenlijk van plan om die middag gewoon door te schrijven. Het manuscript moest af. Ik zat met mijn hoofd bij mijn verhaal, bij de personages, bij de laatste hoofdstukken. Terug naar mijn toetsenbord dus.
Toen riep een bekende me:
‘Karin, heb je tijd voor koffie?’
Ik keek hem aan. Gezellig, dacht ik. Maar eigenlijk moest ik terug. Het manuscript wachtte. Toen zag ik de vrouw die naast hem zat. Heel even keken we elkaar aan. Ik weet niet precies wat ik in die blik zag. Iets zachts. Iets terughoudends, maar ook een uitnodiging.
‘Oké,’ zei ik. ‘Graag. Maar heel even.’
Ik ging tegenover haar zitten.
We maakten kennis. Ze vertelde waar ze vandaan kwam.
Isfahan.
Ik dacht: wat bijzonder.
Isfahan was precies de stad waar ik me de afgelopen tijd zo intens in had verdiept. Niet het Isfahan van vandaag, maar het Isfahan van lang geleden. De stad die in mijn roman een belangrijke plaats inneemt. Een stad met een eeuwenoude geschiedenis, met een cultuur waar zoveel mensen van Perzische afkomst met verlangen naar terugkijken.
Maar ik zei het niet.
Eerst wilde ik haar verhaal horen.
Ze vertelde over haar leven. Over haar vlucht. Over wat het betekent om je land achter te laten. En tegelijk merkte ik hoe voorzichtig ze was. Alsof ze steeds afwoog hoeveel ze kon vertellen. Alsof woorden soms gevaarlijk kunnen zijn.
Ik luisterde.
Toen zei ze dat ze ook in Athene had gewoond.
Athene.
Ik kreeg kippenvel.
Athene en Isfahan.
Twee steden die op dat moment allebei centraal stonden in mijn boek.
En daar zat ik dan. Met een vrouw tegenover me die uit Isfahan was gevlucht, die in Athene had gewoond, terwijl juist die twee steden in mijn verhaal samenkwamen.
Toeval?
We spraken opnieuw af. Nu met z’n tweeën. We dronken koffie en praatten echt.
Over de schoonheid van haar land.
Over vluchten.
Over vrijheid.
Over wat je achterlaat wanneer je weg moet.
En uiteindelijk ook over mijn boek.
Ik vertelde haar dat ik schreef over haar land. Over Isfahan. Over een tijd waarin de stad nog een heel andere wereld was.
Ze luisterde.
En toen zei ze:
‘Het is niet toevallig dat wij elkaar tegenkomen.’
Die zin bleef bij me.
Op de terugweg naar huis dacht ik aan onze ontmoeting. Aan Isfahan. Aan Athene. Aan haar vlucht. Aan mijn verhaal.
En ineens wist ik het.
De titel.
Isfahan. De weg terug.
Niet omdat ik zelf ooit in Isfahan ben geweest. Dat ben ik niet.
Maar misschien gaat een verhaal over teruggaan ook helemaal niet over zelf ergens geweest zijn.
Misschien gaat het over verlangen.
Over herinnering.
Over wat een stad met een mens kan doen, zelfs als je haar alleen uit verhalen kent.
En soms ontmoet je dan, heel onverwacht, iemand die jouw verhaal een gezicht geeft.
Bij een kop koffie.
In de HEMA.
‘Maar heel even,’ had ik gezegd. Mijn hoofd ging alweer naar het toetsenbord, maar toen keek ik naar Soodeh. Onze ontmoeting blijft altijd bij me.
